dwalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dwa·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dwalen
dwaalde
gedwaald
zwak -d volledig

Werkwoord

dwalen

  1. (ergatief) zonder kennis van waar men is rondbewegen
    We zijn uren door die stad gedwaald voordat we eindelijk een bruikbaar verkeersbord zagen.
  2. (inergatief) zonder kennis van waar men is bewegen
    We hebben gelukkig niet zo lang gedwaald.
  3. (inergatief) geestelijk zich op een afwijkend pad bevinden
    Er werd bepaald dat de bisschop gedwaald had met deze omstreden uitspraak.
Afgeleide begrippen