afspraakje
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afspraakje (hulp, bestand)
Woordafbreking
- af·spraak·je
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | - | - |
| verkleinwoord | afspraakje | afspraakjes |
Zelfstandig naamwoord
afspraakje o dim. tant.
- een afspraak tussen verliefden om elkaar te ontmoeten
- Het afspraakje verliep zoals hij hoopte.