afspraakje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spraak·je
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

Zelfstandig naamwoord

afspraakje o dim. tant.

  1. een afspraak tussen verliefden om elkaar te ontmoeten
    Het afspraakje verliep zoals hij hoopte.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen