bui

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui
enkelvoud meervoud
naamwoord bui buien
verkleinwoord buitje buitjes

Zelfstandig naamwoord

bui v/m

  1. (meteorologie) een kortstondige periode van neerslag
    De plotselinge bui zorgde voor veel ongelukken op de weg.
  2. een voorbijgaande stemming
    Hij was in een slechte bui toen hij om drie uur 's nachts gebeld werd.
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Indonesisch

Woordafbreking
  • bui
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Nederlands boei een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden

Zelfstandig naamwoord

bui

  1. (spreektaal) gevangenis
Synoniemen


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse boei.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bui     buinan  

Zelfstandig naamwoord

bui

  1. (scheepvaart) boei
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Aruba: boei.