bui
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: bui (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /bœʏ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /bœː/
Woordafbreking
- bui
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bui | buien |
| verkleinwoord | buitje | buitjes |
Zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) een kortstondige periode van neerslag
- De plotselinge bui zorgde voor veel ongelukken op de weg.
- een voorbijgaande stemming
- Hij was in een slechte bui toen hij om drie uur 's nachts gebeld werd.
Afgeleide begrippen
- [1] buiig
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Indonesisch
Woordafbreking
- bui
Woordherkomst en -opbouw
- uit het Nederlands boei een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden
Zelfstandig naamwoord
bui
Synoniemen
Papiamento
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Nederlandse boei.
| enkelvoud of impliciet meervoud |
expliciet meervoud |
|---|---|
| bui | buinan |
Zelfstandig naamwoord
bui
Schrijfwijzen
- Schrijfwijze op Aruba: boei.