braak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • braak
enkelvoud meervoud
naamwoord braak -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

braak v/m

  1. een bewerking van vlas of hennep waarbij de huls gebroken wordt
    Met de braak worden de hennepstengels gebroken zodat houtpijp en vezel worden gescheiden.
  2. (gereedschap) een houten toestel bedoeld voor [1]
    Een braak bestaat uit twee planken voorzien van balkjes die in elkaar vallen.
  3. een stuk braakliggend land
  4. een om de hals van een schutterskoning gehangen versiering
  5. het breken of stukmaken van iets
  6. (juridisch) het ongeoorloofd verbreken van een verzegeling of vergrendeling

Bijwoord

braak

  1. ~ liggen niet langer bebouwd worden voor landbouwdoeleinden
    Het is goed voor uitgeputte grond om een jaar braak te liggen.

Werkwoord

vervoeging van
braken

braak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
    Ik braak.
  2. gebiedende wijs van braken
    Braak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
    Braak je?
Anagrammen