braak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- braak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | braak | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- een bewerking van vlas of hennep waarbij de huls gebroken wordt
- Met de braak worden de hennepstengels gebroken zodat houtpijp en vezel worden gescheiden.
- (gereedschap) een houten toestel bedoeld voor [1]
- Een braak bestaat uit twee planken voorzien van balkjes die in elkaar vallen.
- een stuk braakliggend land
- een om de hals van een schutterskoning gehangen versiering
- het breken of stukmaken van iets
- (juridisch) het ongeoorloofd verbreken van een verzegeling of vergrendeling
Bijwoord
braak
- ~ liggen niet langer bebouwd worden voor landbouwdoeleinden
- Het is goed voor uitgeputte grond om een jaar braak te liggen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| braken |
braak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
- Ik braak.
- gebiedende wijs van braken
- Braak!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
- Braak je?