bezorgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zor·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezorgen
bezorgde
bezorgd
zwak -d volledig

Werkwoord

bezorgen

  1. (ditransitief) iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
    Hij kreeg een groot pak bezorgd.
  2. (overgankelijk) bij iemand veroorzaken
    Je bezorgt me hartkloppingen met dat lawaai.
  3. (overgankelijk) goederen op een bepaalde plaats brengen, bestellen
  4. (overgankelijk) verschaffen
    Ik kan je alles bezorgen wat je nodig hebt.
Afgeleide begrippen
Vertalingen