bezorgen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zor·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bezorgen |
bezorgde |
bezorgd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bezorgen
- (ditransitief) iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
- Hij kreeg een groot pak bezorgd.
- (overgankelijk) bij iemand veroorzaken
- Je bezorgt me hartkloppingen met dat lawaai.
- (overgankelijk) goederen op een bepaalde plaats brengen, bestellen
- (overgankelijk) verschaffen
- Ik kan je alles bezorgen wat je nodig hebt.
Vertalingen
1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
3. goederen op een bepaalde plaats brengen