bezat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zat

Werkwoord

vervoeging van
bezitten

bezat

  1. enkelvoud verleden tijd van bezitten
    Ik bezat.
    Jij bezat.
    Hij, zij, het bezat.

Werkwoord

vervoeging van
bezatten

bezat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van bezatten
  2. gebiedende wijs van bezatten
  3. voltooid deelwoord van bezatten