bevelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ve·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevelen
/bə'velə(n)/
beval, bevalen
/bə'vɑl, bə'valə(n)/
bevolen
/bə'volə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

bevelen

  1. (overgankelijk) een dwingende opdracht geven
    Hij beval zijn soldaten de grens over te steken.
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bevelen bevelend
bevel bevolen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bevelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bevel