benaderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·na·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benaderen
benaderde
benaderd
zwak -d volledig

Werkwoord

benaderen

  1. (overgankelijk) naartoe gaan en aanspreken
    De verlegen jongen durfde het mooie meisje niet te benaderen.
  2. (overgankelijk) aanpakken
    De meester benaderde het probleem vanaf een onverwachte hoek.
  3. (overgankelijk) bijna bereikt hebben
    De temperatuur van de oven benaderde de 200 graden.
  4. (overgankelijk) (wiskunde) geen exacte berekening maar een bepaling
    Door een lijn te trekken benaderde hij de richtingscoëfficiënt.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iemand vol ontzag benaderen
Vertalingen