benaderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·na·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| benaderen |
benaderde |
benaderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
benaderen
- (overgankelijk) naartoe gaan en aanspreken
- De verlegen jongen durfde het mooie meisje niet te benaderen.
- (overgankelijk) aanpakken
- De meester benaderde het probleem vanaf een onverwachte hoek.
- (overgankelijk) bijna bereikt hebben
- De temperatuur van de oven benaderde de 200 graden.
- (overgankelijk) (wiskunde) geen exacte berekening maar een bepaling
- Door een lijn te trekken benaderde hij de richtingscoëfficiënt.
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: iemand vol ontzag benaderen
Vertalingen
1. naartoe gaan en aanspreken
4. geen exacte berekening maar een bepaling
iemand vol ontzag benaderen
|