naderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- na·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van nader.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| naderen |
naderde |
genaderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
naderen (niet-wederkerend (niet-reflexief) werkwoord)
- in aantocht zijn
- Wie de stad nadert, valt meteen de imposante kerktoren op.
- De grote dag begint te naderen.
Vertalingen
1. In aantocht zijn