beheer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·heer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beheer | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
beheer o
- het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
- Hij stond in voor het beheer van haar juwelen.
Vertalingen
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beheren |
beheer