bedelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- 1
- 2
Woordafbreking
- be·de·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bedelen bə.'de.lə(n) |
bedeelde bə.'del.də |
bedeeld bə.'delt |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bedélen
- (overgankelijk) een deel toewijzen aan iemand.
- Hij bedeelde de armen.
Vertalingen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bedelen /'be.də.lə(n)/ |
bedelde /'be.dəl.də/ |
gebedeld /ɣə'be.dəlt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bédelen
- (inergatief) om een aalmoes vragen.
- Hij had geen baan meer, waardoor hij de hele dag moest bedelen om aan geld te komen.