wens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wens
enkelvoud meervoud
naamwoord wens wensen
verkleinwoord wensje wensjes

Zelfstandig naamwoord

wens m

  1. verlangen, iets waar men naar uitziet
    Het is mijn wens om rijk te worden.

Werkwoord

vervoeging van
wensen

wens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wensen
    Ik wens.
  2. gebiedende wijs van wensen
    Wens!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wensen
    Wens je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord wens wense

Zelfstandig naamwoord

wens

  1. wens
    «Bismarck se wens was dat Duitsland onder die leiding van Pruise verenig sou word.»
    Bismarcks wens was dat Duitsland onder de leiding van Pruisen verenigd zou worden.