zwartepiet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwar·te·piet
enkelvoud meervoud
naamwoord zwartepiet -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zwartepiet m

  1. de speelkaart schoppenboer in het kaartspel zwartepieten
    • Degene die met de zwartepiet blijft zitten, heeft verloren. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand de zwartepiet toespelen
    Proberen iemand ergens de schuld van te geven

Werkwoord

vervoeging van
zwartepieten

zwartepiet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zwartepieten
  2. gebiedende wijs van zwartepieten

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie