zwad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwad
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘snede koren of gras’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1165 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zwad zwaden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zwad o

  1. (landbouw) (regel) gemaaid gras
    • Dit is zwad dat voor het oogsten van graszaad gebruikt wordt. 
Synoniemen

Gangbaarheid

7 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.

Verwijzingen