zuigkalf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zuig·kalf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zuigkalf zuigkalveren
verkleinwoord zuigkalfje zuigkalfjes

Zelfstandig naamwoord

zuigkalf o

  1. (veeteelt) een kalf dat nog bij de moeder melk drinkt
    • We hebben nog een zuigkalf. 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.