ziedend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·dend
Woordherkomst en -opbouw
  • Onvoltooid deelwoord van zieden.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ziedend ziedender ziedendst
verbogen ziedende ziedendere ziedendste
partitief ziedends ziedenders -

Bijvoeglijk naamwoord

ziedend

  1. witheet van woede
    • De man werd ziedend van die belediging. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: zieden
verbogen vorm: ziedende

ziedend

  1. onvoltooid deelwoord van zieden

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be