zachtjes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht·jes
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van zacht met het achtervoegsel -jes.

Bijwoord

zachtjes

  1. stilletjes, met een laag geluidniveau
    • Hij was zachtjes bezig met zijn werk. 
  2. met weinig kracht
     Daar stond het kleine Pietje bij de schimmel en aaide zachtjes over zijn hals.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11