woonblok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

woonblok
Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·blok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonblok woonblokken
verkleinwoord woonblokje woonblokjes

Zelfstandig naamwoord

woonblok o

  1. (bouwkunde) een groep aan elkaar vast gebouwde woningen
    • - Sindsdien is de landmacht verder uitgegroeid tot een staat-in-de-staat met een enorme bureaucratie, eigen universiteiten, ziekenhuizen, scholen, muziekkorpsen, dans- en toneelgroepen en dure woonblokken in de grote steden. Generaals met grote industriële en vastgoedbelangen in hun militaire regio’s konden zich decennia permitteren de instructies van de politieke leiding te negeren. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Oscar Garschagen 22 november 2016