wollen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wol·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van wol met het achtervoegsel -en
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen wollen

Bijvoeglijk naamwoord

wollen

  1. gemaakt van wol
    Hij draagt sinds kort weer wollen sokken.
Vertalingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • wol·len
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wollen
[ˈvɔlən]
wollte
[ˈvɔltə]
gewollt
[geˈvɔlt]
volledig

Werkwoord

wollen

  1. (modaal werkwoord) willen
    «Ich wollte gerade meine E-Mails abrufen.»
    Ik wilde gewoon mijn e-mail checken.
stellend vergrotend overtreffend
wollen


alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

wollen

  1. wollen, van wol