Naar inhoud springen

wetten

Uit WikiWoordenboek
  • wet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wetten
wette
gewet
zwak -t volledig

wetten

  1. overgankelijk, (techniek) het aanscherpen [1] van een mes op een wetsteen
    • Mijn opa wette het keukenmes. 

dewettenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wet
     In sommige landen is het de rechter toegestaan om wetten aan de grondwet te toetsen, terwijl het in andere landen (waaronder Nederland) verboden is omdat dat vanuit democratisch perspectief als problematisch wordt gezien.[3]
     De tweede schil omvat de praktische staatsinrichting en de binnen de staatsinrichting functionerende taakverdeling tussen de diverse staatsorganen, neergelegd in de grondwet en andere, zogenoemde organieke wetten: wetten met betrekking tot de organen en de organisatie van de staat en diens onderdelen, zoals de Provinciewet en de Gemeentewet.[3]
     De terugtred van de wetgever De opkomst van de sociale rechtsstaat Bestuursrechtelijke wetten Vrijheid voor het bestuur Codificatie en modificatie Kritiek op kader- of raamwetten Het bestuur stelt de wet flšgflšlßlššhl Remedies tegen een uitgeholde wet Materieel wetsbegrip Inhoudelijk wetsbegrig Ingrijpende besluiten 6.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  • wet·ten
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wetten
/ˈvɛ.tən/
wettete
/ˈvɛ.tə.tə/
gewettet
/gə.ˈvɛ.tət/
volledig

wetten

  1. wedden
    «Die Besucher einer Pferderennbahn wetten auf das siegreiche Pferd.»
    De bezoekers van de paardenrenbaan wedden op het winnende paard.
  2. ~, dass; wedden, er zeker van zijn
    «Ich wette, meine Taschenlampe strahlt nach vorne und nicht nach hinten.»
    Ik wed dat mijn zaklamp naar voren schijnt en niet naar achteren.