wemeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·me·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wemeling wemelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wemeling v

  1. het door elkaar bewegen
    • Ik zag een halucinante wemeling van een bijenvlucht. 

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.