wem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

1. verbreed en dan spits toelopend plat uiteinde aan de arm van een anker (het onderdeel dat het meest op de voorgrond is afgebeeld en het spiegelbeeldige onderdeel rechts boven het midden)
Uitspraak
Woordafbreking
  • wem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wem wemmen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wem m

  1. verbreed en dan spits toelopend plat uiteinde aan de arm van een anker
    Daar 't anker vrij langs vreemde kusten den wem in afgronds boezem grift, (…)[3]
Synoniemen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. [ Moens, P. geciteerd in: Sjabloon:Weiland, P. Nederduitsch taalkundig woordenboek (1799) Johannes Allart, Amsterdam]; p. 147; geraadpleegd 2016-07-27
Vertalingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • wem

Vragend voornaamwoord

wem

  1. van wie?
    «Wem gehört das?»
    Van wie is dat?