Naar inhoud springen

weduwlijk

Uit WikiWoordenboek
  • we·duw·lijk
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen weduwlijkweduwlijkerweduwlijkst
verbogen weduwlijkeweduwlijkereweduwlijkste
partitief weduwlijksweduwlijkers-

weduwlijk

  1. van of als een vrouw waarvan de huwelijkspartner is overleden
    • Het huwelijk verloopt kalm, koel en schier weduwlijk voor deze trouwe, ernstige en plichtbewuste vrouw. Haar man is meestal ver van huis; wanneer hij van de reis komt, werpt geen hartstocht haar in zijn armen. [2]
  2. (ruimere betekenis) van of vergelijkbaar met iemand wiens partner is overleden
    • (…) de kinderen Israëls zouden vele dagen (…) blijven zitten, eenzaam, weduwlijk, als dengenen die naar Joodsch-Oostersche wijze op den grond zittende hunnen rouw bedrijven. [3]
24 %van de Nederlanders;
28 %van de Vlamingen.[4]