Naar inhoud springen

weduwe

Uit WikiWoordenboek
  • we·du·we
  • In de betekenis van ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord weduwe weduwen
weduwes
verkleinwoord weduwetje weduwetjes

deweduwev

  1. vrouw wier huwelijkspartner overleden is
     Ze had voor dit boek een aantal weduwes geïnterviewd over de invloed die het verlies van hun partner op de rest van hun leven heeft gehad.[3]
     Candida was de weduwe van een welgedane, joviale man uit Biarritz wiens foto in bijna alle kamers van het appartement troonde.[4]
     Met zijn handen op zijn heupen liep hij terug naar Teresa, nam haar onderzoekend op, draaide langzaam een rondje om haar heen en pakte toen haar vlecht vast, die hij in zijn hand woog, alsof hij een weduwe op de markt was die haar neus optrok voor de aangeboden groente.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. "weduwe" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. weduwe op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  5. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be