wam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wam wammen
verkleinwoord wammetje wammetjes

Zelfstandig naamwoord

wam

  1. v/m een huidplooi die afhangt van de hals van een rund of een ander dier
  2. v/m een opengesneden buik van een vis
  3. m een soort duif; een duikvluchtduif
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wammen

wam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wammen
    • Ik wam. 
  2. gebiedende wijs van wammen
    • Wam! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wammen
    • Wam je? 

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders
17 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Xhosa

Bezittelijk voornaamwoord

wam

  1. vorm van -m, verwijzend naar een eerste persoon enkelvoud in bezit van een woord van klasse 1: mijn

wam

  1. vorm van -m, verwijzend naar een eerste persoon enkelvoud in bezit van een woord van klasse 3: mijn