vrijerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·e·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrijerig vrijeriger vrijerigst
verbogen vrijerige vrijerigere vrijerigste
partitief vrijerigs vrijerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrijerig

  1. graag willen vrijen
    • De demente oude vrouw was heel vrijerig en ging graag naar de snoezelkamer 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.