voorkomend

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • voor·ko·mend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: voorkomen
verbogen vorm: voorkomende

vóórkomend

  1. onvoltooid deelwoord van vóórkomen
stellend
onverbogen voorkomend
verbogen voorkomende

Bijvoeglijk naamwoord

vóórkomend

  1. (sport) een voorsprong behalend
  2. gebeurend, zich voordoend

Werkwoord

vervoeging van: voorkomen
verbogen vorm: voorkomende

voorkómend

  1. onvoltooid deelwoord van voorkómen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen voorkomend voorkomender voorkomendst
verbogen voorkomende voorkomendere voorkomendste
partitief voorkomends voorkomenders -

Bijvoeglijk naamwoord

voorkomend

  1. hoffelijk, vriendelijk

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be