verwondering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·won·de·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verwondering -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verwondering v

  1. de mate van verwonderd zijn
    • Zijn verwondering was erg groot toen hij het eindresultaat zag. 
     Decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken hingen en stonden elkaar met verwondering aan te staren.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 17