verbouwing
Uiterlijk
- Geluid: verbouwing (hulp, bestand)
- ver·bou·wing
- Naamwoord van handeling van verbouwen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | verbouwing | verbouwingen |
| verkleinwoord | verbouwinkje | verbouwinkjes |
de verbouwing v
- een bouwkundige wijziging aan een bestaand gebouw
- De klusser deed de ene na de andere verbouwing aan zijn huis.
- ▸ Station Groningen is vanaf vandaag ruim twee maanden grotendeels onbereikbaar. De verbouwing van het Hoofdstation van Groningen gaat een nieuwe fase in. Daardoor rijden er tot en met 12 juli minder treinen en is er dit weekend helemaal geen treinverkeer mogelijk.[1]
- Het woord verbouwing staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "verbouwing" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Weblink bron “Station Groningen ruim twee maanden dicht vanwege verbouwing” (10 mei 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be