verbouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbouwen
verbouwde
verbouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

verbouwen

  1. (overgankelijk) anders bouwen
    Het huis werd totaal verbouwd.
  2. (overgankelijk) planten telen
    De verbouwde bieten zaten barstensvol suiker.
Vertalingen