verbouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbouwen
verbouwde
verbouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

verbouwen

  1. overgankelijk anders bouwen
    • Het huis werd totaal verbouwd. 
  2. overgankelijk planten telen
    • De verbouwde bieten zaten barstensvol suiker. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be