vanbuiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·bui·ten
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

vanbuiten

  1. aan de buitenzijde
    • De appel zag er vanbuiten heel gaaf uit, maar bleek rot vanbinnen. 
  2. van de buitenzijde
    • De bal kwam vanbuiten. 
  3. uit het hoofd, uit het geheugen
    • Hij leerde de eerste bladzijde van de Ilias vanbuiten. 
Opmerkingen
  1. Als voorzetsel gebruikt is de spelling "van buiten".
    • De bal kwam van buiten de lijnen. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.