vaarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar·de

Werkwoord

vervoeging van
varen

vaarde

  1. enkelvoud verleden tijd van varen
    • Ik vaarde. 
    • Jij vaarde. 
    • Hij, zij, het vaarde. 
    • Zaterdag 22 juli hoorde ik op de radionieuwsdienst van 10.00 uur: ‘In Zeeland heeft de politie een man aangehouden die nog een boete had openstaan van 600.000 euro. Aanleiding tot de aanhouding: hij vaarde te snel.’ ‘Vaarde!’ Nog even en we hebben ook al geen sterke werkwoorden meer. [1]
    • Reeds voor de zon in 't oosten blonk,
      Was Jacob aan de reê,
      En zong een vrolijk deuntjen op
      En vaarde diep in zee.
       [2]
    • Zyn schip lag op de reê,
      Zoo vaarde hy in zee.
       [3]
Synoniemen
  • voer (gangbare vorm)
Opmerkingen
  • Als verleden tijd van varen in de betekenis "voortbewegen (over water)" is vaarde in het Middelnederlands al aangetroffen, maar voer is altijd gangbaarder geweest[4]. Van Dale's Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal[5] en het Groene Boekje[6] vermelden alleen voer, maar andere bronnen als de Algemene Nederlandse Spraakkunst[7], Taaladvies van de Nederlandse Taalunie[8] en Onze Taal[9] geven aan dat vaarde soms ook voorkomt.

Werkwoord

vaarde

  1. enkelvoud verleden tijd van varen (onpersoonlijk): "niet meevallen"
    • En dichten? Voor wie, voor wat zou hij nu gaan dichten? Uit de wereld waarin hij leefde, kwamen niet meer die aandrang en nood. Het vaarde hem al te zeer; de eerste, dikke waterstraal uit de bronne was uitgeloopen, en weinig versch water uit den schoot der aarde kwam toe om haar te voeden. [10]

Verwijzingen