urinaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uri·naal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘pisglas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1521 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord urinaal urinalen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

urinaal o

  1. gelegenheid voor heren die zich van hun urine wensen te ontlasten
  2. voorwerp, meestal van glas waarin urine kan worden gedeponeerd
Synoniemen

[2] ondersteek

Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen