unna

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

IJslands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid deelwoord
(supinum)
3e pers enk. 1e pers mv.
unna unni unnum unnað
unnt
volledig

Werkwoord

unna (met datief)

  1. houden van, liefhebben
  2. gunnen, veroorloven, toestaan