uitsloven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·slo·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitsloven
sloofde uit
uitgesloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitsloven

  1. wederkerend zijn best doen, mogelijk overdreven.
    • Hij was zich aan het uitsloven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.