uitnemen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitnemen
nam uit
uitgenomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitnemen

  1. overgankelijk vanuit iets een deel wegnemen
    • De arts die de verkeerde nier uitnam mag weer aan het werk. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.