uitgelaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·la·ten

Werkwoord

vervoeging van
uitlaten

uitgelaten

  1. voltooid deelwoord van uitlaten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitgelaten uitgelatener uitgelatenst
verbogen uitgelatenste
partitief uitgelatens uitgelateners -

Bijvoeglijk naamwoord

uitgelaten

  1. zeer vrolijk en blij en dat ook laten merken
    De uitgelaten jongen danste van blijdschap toen hij hoorde dat hij zijn eindexamen had gehaald.