tweedracht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·dracht
enkelvoud meervoud
naamwoord tweedracht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tweedracht v/m

  1. verdeeldheid of twist binnen een gemeenschap
    De tweedracht die de laatste eeuw van het Byzantijnse Rijk kenmerkte droeg in belangrijke mate bij tot de uiteindelijk ondergang.