verdeeldheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·deeld·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verdeeldheid verdeeldheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verdeeldheid v

  1. het niet één zijn van een groep, het onenigheid hebben
    • De verdeeldheid in de Republikeinse Partij hoeft niet per definitie voordelig te zijn voor de Democraten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.