tromp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tromp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tromp trompen
verkleinwoord trompje trompjes

Zelfstandig naamwoord

tromp o [2] [3] [4] [5]

  1. (veroud.) iets wat een doffe klank voortgebrengt (blaashoorn, midwinterhoorn, olifantssnuit, geweer, kanon)
    1. (veroud.) het mondstuk van een geweer of andersoortige vuurmond, waarlangs vroeger de munitie werd ingebracht
    2. het mondstuk van een brandweerslang
    3. de slurf van een olifant
  2. koepel of overgangslid om een vierhoekige onderbouw te geleiden naar een veelhoekige of ronde bovenbouw
  3. (veroud.) blazen op een trompet
  4. het blazen van een olifant
Verwante begrippen
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
trompen

tromp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
    • Ik tromp. 
  2. gebiedende wijs van trompen
    • Tromp! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
    • Tromp je? 

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen