transportwerkwoord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·port·werk·woord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transportwerkwoord transportwerkwoorden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

transportwerkwoord o

  1. een werkwoord dat een beweging aangeeft, als het gebruikt wordt met richting dan voltooide tijd met hulpwerkwoord zijn, anders met hulpwerkwoord hebben.
    • Wij zijn naar Amsterdam (gefietst, gewandeld, gereden): naar geeft richting aan transportwerkwoord dus hulpwerkwoord is zijn. 
    • Wij hebben zondag (gefietst, gewandeld, gereden): hier geen richting bij transportwerkwoord dus hulpwerkwoord is 'hebben'. 

Gangbaarheid