toesturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toesturen
stuurde toe
toegestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

toesturen

  1. ditransitief iemand iets ~: iets bij iemand laten bezorgen
    • Wij kregen een bedankje toegestuurd. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.