tochthond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tocht·hond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tochthond tochthonden
verkleinwoord tochthondje tochthondjes

Zelfstandig naamwoord

tochthond m

  1. tochtafsluiter met de vorm van een hond

Gangbaarheid

28 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.