tobster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tob·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tobster tobsters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tobster v [1]

  1. vrouw met veel zorgen; vrouw die zich veel zorgen maakt
    • Bij die ontmoeting in Luik moet de baronesse Van Wijnbergen in Dekkers ogen ‘de arme tobster’ geworden zijn die zich alleen als de heldin van Havelaar kon handhaven door gescheiden van haar man een leven van volslagen onderworpenheid en zelfverloochening te leiden en gedoemd was door die zelfverloochening het schuldgevoel waardoor dit overprikkeld geweten zijn leven lang meer gekweld werd dan door al zijn schulden, nog te verzwaren. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia (1977)–Jan Romein, Annie Romein-Verschoor Erflaters van onze beschaving