Naar inhoud springen

tipi

Uit WikiWoordenboek
Structuur van een tipi
Twee tipi's.
  • ti·pi
enkelvoud meervoud
naamwoord tipi tipi's
verkleinwoord tipietje tipietjes

detipim

  1. tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
    • Hij is zo gefascineerd door de indianen dat hij een echte tipi aangeschaft heeft. 
83 %van de Nederlanders;
87 %van de Vlamingen.[2]


  • IPA: /ˈtiːpi/
enkelvoud meervoud
tipi tipis

tipi

  1. tipi
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tipi     le tipi     tipis     les tipis  

tipi m

  1. tipi

tipi m

  1. tipi