tifosi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

tifosi
Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·fo·si
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Italiaans
enkelvoud meervoud
naamwoord tifosi
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tifosimv

  1. zeer enthousiaste sportfans
     Glibberend vond Verstappen grip op de Autodromo van Monza, waar Ferrari zwaar teleurstelde voor eigen tifosi. ,,Mijn engineer bleef me alle sectortijden doorgeven, maar ik wilde alleen die van Lewis weten. Toen ik hoorde dat hij de snelste tijden reed, wist ik hoe laat het was.’’[1]
     Voor de goede orde: Ripke had gewoon kleren aan en hij had serieus vip-passen in zijn handen. Hij kwam er echter achter dat zijn veronderstelling heel erg klopte. Monza is Ferrari-land en dat blijft het. Die liefde zit diep, zeker bij Italiaanse tifosi.[2]

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Arjan Schoute “Max in Monza: Gridstraffen, inhalen en knokken met Bottas” (05-09-2019), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron Arjan Schouten “Kom in Ferrari-land niet aan met vip-kaarten voor Mercedes” (06-09-2019), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·fo·si

Zelfstandig naamwoord

tifosi m mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tifoso

Bijvoeglijk naamwoord

tifosi

  1. mannelijk meervoud van tifoso