terugtreden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·tre·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugtreden
trad terug
teruggetreden
klasse 5 volledig

Werkwoord

terugtreden

  1. ergatief een ambt of positie opgeven
    Hij was om gezondheidsredenen teruggetreden als aartsbisschop.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.