taximan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·xi·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taximan taxilui
taxilieden
taximannen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

taximan

  1. man die een taxi bestuurt
    • Zelfs met een politieagent erbij, kreeg de taximan het niet voor elkaar om extra geld te krijgen voor de schoonmaak. Volgens de politieman ’staat dat nu eenmaal niet zo in de wet’. [1] 
    • De zachtaardige taximan bood mij geen mogelijkheid om voor een goedmakertje te zorgen. Hij wilde geen minuut langer blijven in een stad waar zo veel makhzan (overheid) aanwezig was. [2] 
    • De chauffeurs die in een of andere vorm van associatie of vereniging gegroepeerd zijn doen dit voornamelijk uit bescherming voor externe stoorfactoren, zoals deze eenmanszaakjes op wielen die, met de juiste connecties en wat startkapitaal, op minder dan een dag de baan op kunnen om mensen van her naar der te vervoeren. Deze associaties pakken er dan ook mee uit dat zij anders zijn dan deze simpele “conducteurs de taxi”, en hebben zich dan ook de titel “taximan” toegedicht. Dit laatste houdt in dat de taximan zelf opgegroeid is in de straten van Dakar en dat hij het stratenpatroon en de straatnamen uit het hoofd kent – wat in Dakar geen sinecure is, en bij het gros van de taxiritten steevast voor problemen zorgt. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. De Telegraaf 29 mrt. 2018 Vrouw doet ’grote boodschap’ in taxi en weigert te betalen
  2. Het Parool 11 augustus 2008 Echt in Marokko (slot)
  3. De Standaard 02/08/2010 door Luc Severi Senegal - Joe le Taxi(man)
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be