taxi

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taxi (niet afgebroken)
enkelvoud meervoud
naamwoord taxi taxi's
verkleinwoord taxietje taxietjes

Zelfstandig naamwoord

taxi m

  1. (verkeer) een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
    • Ik heb maar een taxi genomen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
taxiën

taxi

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
    • Ik taxi. 
  2. gebiedende wijs van taxiën
    • Taxi! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
    • Taxi je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·xi
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Engelse zelfstandige naamwoorden taxi en taxicab
Naar frequentie 2518
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   taxi     taxien     taxier     taxiene  
genitief   taxis     taxiens     taxiers     taxienes  

Zelfstandig naamwoord

taxi, m

  1. (verkeer) taxi
Synoniemen
Typische woordcombinaties
  • bestille taxi
een taxi bestellen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·xi
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Engelse zelfstandige naamwoorden taxi en taxicab
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   taxi     taxien     taxiar     taxiane  

Zelfstandig naamwoord

taxi, m

  1. (verkeer) taxi
Synoniemen


Spaans

enkelvoud meervoud
taxi taxis

Zelfstandig naamwoord

taxi m

  1. (verkeer) taxi