suprematie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pre·ma·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord suprematie suprematies
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

suprematie v

  1. oppergezag, oppermacht
    • 'De Belgen hebben een absolute suprematie getoond', loofde de minister de Vlaamse deelnemers. 
    • Op het concilie van Rome in 382 werd het door Damasus nogmaals duidelijk verwoord: 'De Heilige Kerk van Rome bezit de suprematie over alle andere, niet uit hoofde van een of ander conciliedecreet, maar uit de voorrang die Onze Heer zelf in het evangelie aanduidde met de woorden: Jij bent Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen. 
    • De suprematie van het vroege Rome over Carthago begon met de overwinning op Hannibal in de Tweede Punische Oorlog. (uit Feniciërs) 
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen